Nieuws

Waar geven studenten hun geld aan uit? Weinig budget, maar veel verlangens!

donderdag 24 september 2026

Studenten vergelijken prijzen, koken op kot en drinken vooraf om hun uitgaven te beperken. Tegelijk gaat er geld naar kleding, festivals en reizen. Het studentenonderzoek van HUMO toont een doelgroep die niet uitsluitend op zoek is naar goedkoop, maar voortdurend afweegt waarvoor ze wil betalen. Voor foodservice betekent dat een concurrentiestrijd die veel verder reikt dan het café, de broodjeszaak of het studentenrestaurant om de hoek.

Een student die bespaart op een avond café, maar wel geld vrijmaakt voor een festival. Die kortingen vergelijkt in de supermarkt, maar belang hecht aan kleding. Die zelf kookt om de uitgaven te beperken, terwijl op sociale media de volgende aantrekkelijke reis voorbijkomt.

Op het eerste gezicht lijken dat tegenstrijdigheden. Vanuit het perspectief van de consument kunnen het perfect logische keuzes zijn. Niet alles is even belangrijk. En wanneer het budget beperkt is, moet het ene wijken voor het andere.

Precies die spanning komt naar voren in het studentenonderzoek waarover HUMO op 21 september berichtte. In het derde deel van de reeks over de portemonnee van Vlaamse studenten onderzocht journalist Joost Vandensande waaraan zij hun geld uitgeven. De combinatie van onderzoeksresultaten en duiding door Laura Clays van Testaankoop en Cédric Proost biedt interessante aanknopingspunten voor foodservice. Niet omdat daarmee plots een volledig nieuwe consument is ontdekt, maar omdat het klassieke beeld van de student als vooral een liefhebber van veel en goedkoop tekortschiet.

Voor Foodservice Alliance ligt de relevantie in de selectieve besteder: een consument die op bepaalde momenten scherp bespaart en voor andere aankopen of ervaringen ruimte probeert te maken. Dat is een analytische lezing van de signalen uit HUMO’s onderzoek.

De centrale vraag voor de sector wordt daarmee scherper. Niet alleen: hoeveel geld heeft deze student? Maar vooral: welke plaats krijgt eten en drinken buitenshuis tussen alle andere dingen die deze student belangrijk vindt?

199 euro per maand is geen horecabudget

Volgens de door HUMO gepubliceerde resultaten geeft een student gemiddeld 199 euro per maand uit buiten de kot- en studiekosten. Kleding vormt de grootste uitgavenpost, vóór eten en drinken buitenshuis. Avondjes uit, festivals en concerten worden doorgaans zelf betaald. Ouders nemen volgens het onderzoek 76 procent van de studie- en kotkosten voor hun rekening; ook het telefoonabonnement komt in het beschreven bestedingspatroon bij hen terecht.

Die verdeling is belangrijk. Er bestaat niet één onverdeelde studentenportemonnee waaruit alle kosten op dezelfde manier worden betaald. Sommige uitgaven worden rechtstreeks gedragen door ouders. Andere moeten worden afgewogen binnen het geld waarover de student zelf beschikt.

Het bedrag van 199 euro mag dus niet worden gelezen als een beschikbaar maandelijks horecabudget. Foodservice is slechts één van de bestemmingen. Elke euro die naar kleding of een concert gaat, kan binnen een beperkt budget niet ook aan een lunch of een avond uit worden besteed.

Daarnaast rapporteert HUMO dat studenten gemiddeld 42 euro per week van thuis krijgen. Bijna de helft zegt daarmee niet toe te komen. Ook dit bedrag is geen volledig beeld van hun inkomsten: het beschrijft de bijdrage van thuis, niet automatisch alle middelen waarover een student beschikt.

Voor ondernemers is vooral de spanning tussen beide vaststellingen relevant. Ouderlijke ondersteuning neemt een aanzienlijk deel van de grote kosten weg, maar maakt de dagelijkse keuzes daarom niet zorgeloos. Een relatief kleine extra uitgave kan zwaar doorwegen wanneer verschillende aankopen uit dezelfde beperkte eigen middelen moeten worden betaald.

Dat vraagt om voorzichtigheid bij het beoordelen van koopkracht. Een dure aankoop die zichtbaar is, vertelt weinig over de ruimte die daarna nog overblijft voor dagelijkse consumptie.

Het café concurreert ook met kleding en reizen

Een van de interessantste bevindingen uit HUMO’s onderzoek is dat kleding vóór eten en drinken buitenshuis staat. Voor foodservice verschuift daarmee het concurrentieperspectief. De strijd om het studentenbudget wordt niet uitsluitend gevoerd tussen verschillende eet- en drinkgelegenheden.

Een café kan aantrekkelijker zijn dan het café ernaast en toch een bezoek verliezen. Niet omdat de student elders iets gaat drinken, maar omdat die beslist het geld niet aan horeca te besteden.

Cédric Proost benoemt die afweging in HUMO expliciet:

“Cafés en bals zijn echt wel prijzig geworden, en studenten verleggen de focus liever naar andere dingen. Naar kleding, naar reizen.”

Zijn observatie over reizen is daarbij een duiding vanuit zijn omgeving, geen afzonderlijke meting van het reisgedrag van alle Vlaamse studenten. Maar ze legt wel een relevante hypothese op tafel: dagelijkse of herhaalde horeca-uitgaven kunnen worden afgewogen tegen aankopen en ervaringen waarvoor studenten liever sparen.

Voor foodservice is dat een wezenlijk andere uitdaging dan alleen prijsconcurrentie. Een lagere prijs kan de drempel verkleinen, maar verandert niet noodzakelijk de prioriteiten.

Een broodjeszaak verkoopt een lunch. Vanuit de consument bekeken verkoopt ze ook gemak: niet hoeven voorbereiden, meenemen of koken. Een café verkoopt dranken, maar kan tegelijk een plaats bieden waar vrienden elkaar ontmoeten. De vraag is welke van die voordelen voldoende belangrijk is om er op dat moment geld voor vrij te maken.

Het product moet niet alleen zijn prijs waard zijn. Het moet ook de uitgave waard zijn.

Dat verschil verdient aandacht. Een student kan een maaltijd correct geprijsd vinden en ze toch niet kopen, omdat een zelfbereid alternatief voldoende goed is en het uitgespaarde geld elders meer betekenis krijgt.

Het uitgaan begint op kot — en een deel van de besteding blijft daar

HUMO beschrijft verschillende manieren waarop studenten hun uitgaven beheersen: vooraf drinken op kot, zelf vers koken, kortingen zoeken en ieder de eigen drank laten betalen. Het weekblad presenteert die gedragingen als herkenbare onderdelen van het studentenleven.

Voor foodservice zijn dat meer dan besparingstrucjes. Ze laten zien op welke manieren consumenten een consumptiemoment kunnen opdelen.

Wie voor een avond uit eerst op kot samenkomt, kan nog altijd naar het café gaan. Maar een deel van de consumptie heeft dan al buiten de horeca plaatsgevonden. Wie vooraf eet, kan deelnemen aan een sociaal moment zonder ter plaatse nog een maaltijd te bestellen.

Dat onderscheid is belangrijk bij de interpretatie van bezoekersaantallen. Aanwezigheid en besteding zijn niet hetzelfde. Een zaak kan mensen over de vloer krijgen zonder dat alle onderdelen van het vroegere of gewenste consumptiemoment ook in die zaak worden gekocht.

Uit HUMO’s artikel valt niet af te leiden hoeveel omzet hierdoor verschuift. Het biedt evenmin een tijdreeks waarmee kan worden vastgesteld hoeveel sterker dit gedrag is geworden. Wel maakt het duidelijk waarom ondernemers verder moeten kijken dan de vraag of studenten nog uitgaan.

Welke consumpties vinden vóór het bezoek plaats? Welke worden overgeslagen? Welke worden vervangen door iets uit de supermarkt? En waarvoor blijft de consument wel betalen?

Ook de vaststelling dat studenten vers koken om te besparen verdient aandacht. De concurrent van een bereide maaltijd is niet noodzakelijk een andere professionele aanbieder. Het kan ook de eigen keuken zijn.

Voor een foodserviceconcept wordt dan de meerwaarde ten opzichte van zelf koken relevant: tijdswinst, gemak, smaak, variatie of de mogelijkheid om ergens samen te eten. Een goede locatie alleen beantwoordt die vergelijking niet.

Niet alleen een lage prijs, maar grip op de rekening

Dat studenten ieder hun eigen drank betalen, kan worden gelezen als een manier om de controle over de uitgaven te behouden. De kost van het eigen bezoek blijft voorspelbaar, zonder afhankelijk te worden van wat anderen bestellen.

Ook het actief zoeken naar promoties, deals en cashbacks krijgt in HUMO nadruk. Laura Clays moedigt het vergelijken van prijzen aan en waarschuwt ervoor een opvallende promotie niet automatisch gelijk te stellen aan de goedkoopste keuze.

De vertaling naar foodservice gaat verder dan “meer studentenkorting geven”.

Een studentenkorting heeft pas betekenis wanneer de uiteindelijke rekening binnen het budget past. Een aantrekkelijke vanafprijs helpt weinig wanneer een volwaardige maaltijd door noodzakelijke extra’s merkbaar duurder wordt. Omgekeerd kan een duidelijk geprijsde combinatie interessant zijn omdat vooraf vaststaat wat de bezoeker krijgt en betaalt.

Dat maakt prijsopbouw onderdeel van het aanbod. Is de portie duidelijk? Is zichtbaar wat inbegrepen is? Kan iemand zonder ingewikkeld rekenwerk bepalen wat een lunch of avond zal kosten?

Een interessante werkhypothese voor ondernemers is dat voorspelbaarheid de aankoopdrempel kan verlagen. Niet door het bedrag kleiner voor te stellen, maar door onzekerheid weg te nemen.

Daarbij blijft een bedrijfseconomische afweging noodzakelijk. Een promotie die bestaande aankopen goedkoper maakt zonder extra bezoeken of bestedingen op te leveren, is iets anders dan een aanbod dat daadwerkelijk een nieuwe consumptiegelegenheid creëert. De relevante maatstaf is niet alleen hoeveel studenten de deal gebruiken, maar wat die deal toevoegt aan bezoek, herhaling en rendabiliteit.

Sociale media concurreren mee om het budget

In HUMO legt Proost een verband tussen sociale media en de aantrekkingskracht van kleding en reizen. Ervaringen die anderen delen, kunnen nieuwe verlangens oproepen. Clays bespreekt daarnaast hoe laagdrempelig digitale aankoopomgevingen zijn geworden.

Voor foodservice is vooral de combinatie interessant: er wordt niet alleen geconcurreerd om geld, maar ook om aandacht voor mogelijke bestedingen.

Een student die overweegt iets te bestellen, ziet niet uitsluitend alternatieven binnen dezelfde productcategorie. In dezelfde digitale omgeving kunnen kleding, concerten, reizen en andere aankopen aantrekkelijk worden gemaakt. Foodservice is één van de vele mogelijke bestemmingen voor een beperkt budget.

Dat betekent niet dat iedere lunch een spectaculair decor nodig heeft of dat elk product vooral fotogeniek moet zijn. Die conclusie zou te gemakkelijk zijn. Zichtbaarheid kan een reden geven om iets te ontdekken, maar bewijst nog niet dat het product daarna opnieuw wordt gekocht.

Wel is het zinvol om te onderzoeken wanneer een foodserviceproduct méér vertegenwoordigt dan zijn functionele gebruik. Een bijzondere drank kan bijvoorbeeld een kleine traktatie zijn. Een eetconcept kan een ontmoetingsplek worden. Een herkenbaar gerecht kan een reden geven om samen ergens naartoe te gaan.

Dit zijn mogelijke toepassingen van de analyse, geen productvoorkeuren die HUMO in het aangeleverde artikel heeft gemeten.

Voor merken ligt hier bovendien een verschil tussen aandacht en commerciële relevantie. Een opvallende introductie kan belangstelling trekken. Of ze ook duurzame vraag creëert, hangt vervolgens af van zaken als smaak, prijs, beschikbaarheid en de reden om terug te komen.

De student hoeft niet alleen te denken: dat ziet er aantrekkelijk uit. Uiteindelijk moet de gedachte volgen: daar wil ik een deel van mijn budget aan besteden.

Een festivalbudget is geen bewijs van een ruime dagelijkse portemonnee

Volgens HUMO geeft een student die naar een festival gaat daar gemiddeld 341 euro aan uit. Dat bedrag maakt duidelijk dat er binnen deze doelgroep ruimte kan worden gemaakt voor aanzienlijke uitgaven aan een specifiek moment.

Maar het is geen bewijs dat dezelfde bezoeker ook voor dagelijkse horeca over een ruim budget beschikt.

Een festivaluitgave en een gemiddeld maandbedrag beschrijven verschillende bestedingssituaties. Ze mogen niet zonder meer worden opgeteld of tegenover elkaar worden gezet alsof iedere student elke maand beide bedragen uitgeeft. Bovendien zegt een gemiddelde onder festivalbezoekers niets over studenten die niet gaan.

Voor foodservice is de bruikbare gedachte dat een uitzonderlijke ervaring een andere plaats in de prioriteiten kan krijgen dan een terugkerende aankoop.

Een festival kan een gebeurtenis zijn waarvoor iemand bewust geld reserveert. Een doordeweekse lunch moet mogelijk concurreren met een goedkoper alternatief dat praktisch voldoende is. Daar zit geen noodzakelijke tegenstrijdigheid in.

Tegelijk moet de sector opletten met de redenering dat een aantrekkelijke ervaring dus altijd een hogere prijs rechtvaardigt. De bereidheid om naar een festival te gaan, is niet hetzelfde als tevredenheid over de prijs van elke consumptie op het terrein.

HUMO illustreert dat met een anekdote van Clays over meisjes die in een wachtrij schrikken van een wrap van vijftien euro, maar uiteindelijk toch blijven staan omdat ze al zo ver zijn aangeschoven.

Dat is geen representatieve meting van prijstevredenheid. Het is wel een treffende illustratie van een commercieel onderscheid: een aankoop bewijst dat er betaald is, niet dat de koper de prijs ook als redelijk heeft ervaren.

Voor festivalcatering en andere locaties waar het aanbod ter plaatse beperkt is, verdient dat onderscheid aandacht. Omzet op het moment zelf vertelt niet het volledige verhaal over de waardering achteraf.

Betalen mag eenvoudig zijn. De prijs begrijpen ook

HUMO besteedt uitvoerig aandacht aan betaalgemak en de mogelijke keerzijde ervan. Clays bekritiseert onder meer festivalmunten die bezoekers verplichten prijzen om te rekenen voordat duidelijk is hoeveel euro ze uitgeven.

Die bezorgdheid komt ook terug in een afzonderlijke publicatie van Testaankoop van 3 september 2026. Daarin meldt de organisatie dat 64 procent van de respondenten in haar eigen enquête vindt dat festivalmunten het moeilijker maken om uitgaven op te volgen. Dit cijfer betreft die afzonderlijke bevraging en mag niet worden voorgesteld als een resultaat uit HUMO’s studentenonderzoek.

Voor foodservice ligt hier een helder principe: betaalgemak en prijstransparantie horen samen te gaan.

Een digitale bestelling kan praktisch zijn. Een snelle betaling kan wachttijd beperken. Maar een consument moet ook gemakkelijk kunnen begrijpen wat de aankoop kost. Digitale eenvoud is niet hetzelfde als financiële ondoorzichtigheid.

HUMO bespreekt daarnaast kritiek van Clays en Proost op achteraf betalen en op aankoopomgevingen waarin producten met heel weinig handelingen kunnen worden gekocht. Hun bezorgdheid gaat over de combinatie van impulsieve verleiding en het verschuiven van de betaling naar later.

Voor de foodserviceanalyse is vooral de grens belangrijk tussen frictie wegnemen en het zicht op de uitgave wegnemen. Digitaal betalen is uiteraard niet hetzelfde als kopen op krediet. Het eerste kan de dienstverlening verbeteren zonder dat de consument het overzicht hoeft te verliezen.

Een bruikbare richting voor ondernemers is daarom een bestelervaring waarin het totaalbedrag voortdurend duidelijk blijft, extra’s herkenbaar worden toegevoegd en klanten hun eigen rekening eenvoudig kunnen afrekenen.

Niet méér laten uitgeven doordat de prijs minder zichtbaar wordt, maar een aankoop mogelijk maken waarover de klant achteraf nog altijd tevreden kan zijn.

Betaalbaarheid en premium hoeven elkaar niet uit te sluiten

De combinatie van besparingsgedrag en uitgaven aan kleding of festivals nodigt uit tot een genuanceerdere kijk op prijsgevoeligheid.

Een consument hoeft niet bij elke aankoop dezelfde afweging te maken. Iemand kan voor een functionele maaltijd zo weinig mogelijk willen betalen en op een ander moment bewust kiezen voor een bijzondere traktatie. Dat is een mogelijke verklaring voor de signalen die HUMO naast elkaar plaatst; het onderzoek zoals hier beschikbaar toont niet hoeveel individuele studenten beide gedragingen combineren.

Voor foodservice betekent dit dat het weinig zin heeft de volledige doelgroep uitsluitend als prijsvechter of uitsluitend als belevingszoeker te benaderen.

Een toegankelijk basisaanbod kan de drempel voor regelmatig bezoek verlagen. Daarnaast kan er plaats zijn voor een duidelijk herkenbare extra: een bijzondere bereiding, een eigen specialiteit of een product dat het bezoek een ander karakter geeft.

De uitdaging is dat het verschil begrijpelijk moet zijn. Een hogere prijs zonder herkenbare meerwaarde is moeilijk te verdedigen tegenover een consument die alternatieven afweegt. Maar ook een goedkoop aanbod kan tekortschieten wanneer het niet vult, niet smaakt of praktisch niet past.

Hier ligt een nuttige ontwerpvraag: wat moet betaalbaar en betrouwbaar zijn, en waarvoor kan de klant bewust kiezen om iets extra’s te betalen?

Dat is iets anders dan de volledige formule duurder maken en verwachten dat uitstraling het verschil zal compenseren.

Achter het gemiddelde zitten verschillende studenten

Het aantrekkelijke beeld van de student die slim bespaart voor mooie ervaringen heeft een duidelijke beperking. Niet iedereen heeft dezelfde keuzevrijheid.

HUMO meldt dat bijna de helft van de studenten niet toekomt met de wekelijkse bijdrage van thuis. Clays wijst in haar duiding ook op beursstudenten die hun festivaluitgaven sterker moeten beperken.

Voor een deel van de doelgroep kan besparen dus een voorkeur zijn: minder uitgeven aan het ene om iets anders te kunnen doen. Voor een ander deel is het een noodzaak waarbij weinig ruimte bestaat voor een extra aankoop.

Dat onderscheid mag niet verdwijnen achter verhalen over merkkleding en verre reizen. Zichtbare consumptie van sommige studenten is geen betrouwbaar beeld van de financiële mogelijkheden van de hele groep.

Voor foodservice is een onderscheid naar bestedingsmoment daarom vaak bruikbaarder dan één algemeen studentenprofiel. Gaat het om een noodzakelijke maaltijd tussen lessen? Om betaalbaar samenzijn? Om een uitzonderlijke traktatie? Of om eten tijdens een evenement waarvoor het budget al grotendeels is vastgelegd?

Dezelfde persoon kan afhankelijk van het moment andere eisen stellen. En verschillende personen kunnen voor hetzelfde moment heel andere financiële grenzen hebben.

Wie dat onderscheid maakt, kan gerichter nadenken over assortiment en prijs zonder de doelgroep te reduceren tot het cliché van de koopjesjager of de zorgeloze spender.

Wat betekent dit voor de verschillende foodservicekanalen?

Voor studentenrestaurants en campuscatering ligt een belangrijke kans in een dagelijks aanbod waarvan de waarde onmiddellijk duidelijk is. Niet noodzakelijk het meest uitgebreide assortiment, maar een maaltijd die betaalbaar, voldoende en praktisch bereikbaar is. De vergelijking moet ook worden gemaakt met zelf koken en eten meenemen, niet alleen met commerciële horeca in de omgeving.

Voor broodjeszaken, bakkerijen en snelle maaltijdconcepten verdient de prijs van het volledige eetmoment aandacht. Een aantrekkelijk geprijsd hoofdproduct kan minder toegankelijk blijken zodra drank en andere onderdelen worden toegevoegd. Heldere combinaties en een bruikbaar instapaanbod zijn mogelijkheden om te testen, naast snelheid en gemak.

Voor cafés en andere ontmoetingsplekken roept het beschreven gedrag de vraag op waarvoor bezoekers precies komen. Wanneer een deel van de consumptie vooraf plaatsvindt, wordt het belangrijker te begrijpen welke waarde de zaak zelf toevoegt. Dat kan de sfeer zijn, de groep die er samenkomt of een concrete activiteit. Een quizavond of andere programmering is daarbij geen automatische oplossing: de extra aantrekkingskracht moet worden afgewogen tegen kosten, bezetting en besteding.

Voor festival- en leisurecatering is vooral het onderscheid tussen gerealiseerde verkoop en ervaren waarde relevant. Een bezoeker kan ter plaatse iets kopen en achteraf toch ontevreden zijn over prijs, portie of betaalproces. Duidelijke prijzen, begrijpelijke porties en een toegankelijk aanbod kunnen daarom naast de meer bijzondere producten een plaats verdienen.

Ook fabrikanten en grossiers kunnen deze analyse vertalen naar hun aanbod. De vraag is niet uitsluitend welke innovatie studenten aanspreekt, maar ook of die innovatie voor de uitbater tegen een haalbare verkoopprijs kan worden aangeboden. Een product dat efficiënt te bereiden is, porties voorspelbaar maakt en verspilling helpt beperken, kan ruimte creëren voor een aantrekkelijker consumentenaanbod.

De commerciële opdracht is daarmee breder dan “iets voor Gen Z” ontwikkelen. Het gaat om een concrete consumptiebehoefte, op een concreet moment, binnen een concreet budget.

Niet alleen meten wat studenten kopen, maar ook wat ze laten

HUMO’s onderzoek biedt aanknopingspunten, maar is geen volledige analyse van de studentenmarkt voor foodservice. Daarvoor zijn aanvullende gegevens nodig over onder meer bezoekfrequentie, besteding per gelegenheid, verschillen tussen groepen en de alternatieven waarvoor niet-kopers kiezen.

Voor ondernemers is vooral die laatste vraag interessant.

Wie alleen de eigen verkopen analyseert, ziet wat klanten bestellen. Niet noodzakelijk waarom anderen afhaken of welke aankopen vaste bezoekers intussen overslaan.

Een student die minder vaak langskomt, kan voor een concurrent kiezen. Maar die kan ook vaker zelf koken, geld reserveren voor een ander doel of het volledige consumptiemoment laten vallen. Elk van die verklaringen vraagt om een andere reactie.

Ook een stijgende gemiddelde rekening verdient een nadere blik. Die kan samengaan met minder bezoeken of met een verschuiving naar klanten die zich een hogere besteding kunnen veroorloven. Een hoger bedrag per transactie is op zichzelf dus geen volledig beeld van de aantrekkelijkheid van een formule.

Ten slotte moet de sector onderscheid blijven maken tussen een generatie-effect en een levensfase. Uit een momentopname van studenten kan niet worden afgeleid dat hetzelfde gedrag onveranderd blijft bestaan zodra zij werken en andere inkomsten en uitgaven krijgen.

Het studentenonderzoek is daarmee vooral een aanleiding om betere vragen te stellen — en de antwoorden dichter bij de eigen klanten te zoeken.

Foodservice moet zijn plaats in het budget verdienen

De belangrijkste les uit HUMO’s studentenonderzoek is niet dat studenten alleen nog goedkoop willen eten en drinken. Evenmin dat geld blijkbaar geen probleem is zodra een ervaring aantrekkelijk genoeg wordt.

Het beeld is complexer. Beperkte middelen, ouderlijke ondersteuning, besparingsgedrag en aantrekkelijke andere bestedingsdoelen bestaan naast elkaar. De verhouding daartussen verschilt van student tot student.

Voor foodservice betekent dat een dubbele opdracht. Het aanbod moet financieel toegankelijk zijn voor de momenten waarop prijs doorslaggevend is. En het moet een overtuigende reden geven om voor eten en drinken buitenshuis te kiezen wanneer ook andere aankopen om aandacht vragen.

Die reden hoeft niet altijd spectaculair te zijn. Een goede maaltijd zonder verrassingen op de rekening kan voldoende zijn. Een plek waar vrienden graag samenkomen ook. Of een bijzonder product waarvoor iemand bewust een uitzondering maakt.

Maar vanzelfsprekend is die keuze niet.

De vraag is niet alleen of de student het kan betalen. De vraag is ook of de student het belangrijk genoeg vindt om er iets anders voor te laten.


Bron: Joost Vandensande, “Waaraan geven studenten hun geld uit? ‘Cafés zijn echt wel prijzig geworden, en dus verleggen ze de focus liever naar andere dingen’”, HUMO, 21 september 2026. De studentenresultaten en HUMO-citaten in dit artikel zijn ontleend aan die publicatie.

TAGS